Fragmenten uit mijn dagboek Boiti, Woensdag, 10-7-‘09 Ach, die arme katjes… Toen we gisteren uit de stad kwamen had ik per ongeluk Zorro opgesloten op het balkon, dus die schreeuwde verontwaardigd naar beneden. Maar Tigri kwam me niet begroeten. Tegen etenstijd zat hij weliswaar klaar in de keuken, maar hij nam geen hap en toen hij naar buiten wilde, zag ik dat hij mank liep. Ik ben nog even bij hem gaan zitten, René onderzocht z’n achterpoot nog, maar wat kun je doen? Mijn helderste moment had ik natuurlijk weer op de wc: had Tikat vandaag geen gif gestrooid tegen de draagmieren? De schrik sloeg me om het hart. Ik liep de tuin in, vond de zilverfoliezakjes met de doodshoofden er op, maar van Tigri geen spoor. Ik riep René, die op Mi Gudu bezig was en samen zochten we in de struiken. Ik bleef , zoeken, roepen mijn maag inmiddels één bal gespannen zenuwen, mijn geheugen vol flitsende herinneringen aan z’n getreiter en al zijn rarigheden. Opeens, goddank, zat hij daar met z’n billen op het gras naar me te kijken. Maar toen hij op me af holde, zwalkte hij alle kanten uit. Gelukkig wilde hij wel naar binnen, angstvalig door mij in de gaten gehouden; hij viel in slaap op de stoel en dat leek me maar het verstandigste. Een paar uur later gaven we hem melk, ter ontgifting en dat dronk hij gretig. Daarna weer wat stapjes, het achterlijf zwabberig achter zich aan slepend. Maar hij spinde als ik hem aaide, koorts had hij niet en pijn evenmin. Na ons eigen eten lieten we hem in de keuken achter terwijl ik om de haverklap de trap afrende. En pas toen ik hem weer zag eten, eerst héél voorzichtig, later zijn lievelingskostje naar binnen schrokkend, begon de bal in mijn maag zich te ontknopen. Hij kwam zelfs boven, wilde op schoot, zoveel mogelijk aandacht. Bpoti, 11-6-‘09 Om half zes vanmorgen ging ik naar hem op zoek. Geen Tigri. Ik riep. En toen ik alweer in bed lag hoorde ik heel vaag zijn belletje. De rest van de nacht mocht hij fijn bij me onder de deken. Maar vanmorgen was Zorro dus niet bij het ontbijt: floep, daar zat de bal weer. Zoektochten leverde niks op. Pas na een uur zag ik hem, heel rillerig bij de hondenbak. Een niet te stelpen dorst, gevolgd door een hevige braakpartij. Ik probeerde weer melk, lekkerste brokjes, maar nee, hij houdt het bij water en bij zacht kermen. Nu ligt hij bij te komen onder het bureau. Net op de dag dat Claudia wapperend met bezem en stofdoek door het huis trekt. Daarvoor was hij onder het Noah busje gekropen. Maar toen kwam Otti om de auto op te halen voor de servicebeurt en, dus toen moest Zorro zijn zieke lijfje ook al in paniek weg slepen. Omdat het nu al zoveel beter gaat met z’n rooie broer, heb ik hoop dat het allemaal weer goed komt. Waar Tigri alweer het hoogste woord heeft, gaat het bergafwaards met mijn Zorro. Na zijn kotspartijen en zijn vluchtpogingen vond ik hem de hele middag niet meer terug. Tot alle mannen wegwaren en hij na eindeloos roepen, zielig langs de bomenrand zat te mauwen. Binnen wilde hij niet blijven, dus ik hielp hem weer naar de tuin. Melk, brokjes, op advies van Gerrie, sardien en rauw gehakt: nix, nix, nix. Vanavond lag hij weer in het gras, beneden naast mijn raam (nadat ik hem wéér naar buiten moest helpen). Maar toen ik de regen hoorde roffelen op het dak werd het me te machtig – wat René ook vindt qua bemoeizucht: zo laat ik hem niet verpieteren. Nu ligt hij op mijn bed, ogenschijnlijk wel rustig. Misschien ruim ik zo een lade voor hem in. Dat hij bij ons kan blijven. Misschien moet hij ook door de crisis heen, net als Tigri gisteren. Maar het valt hem wel veel zwaarder. Ik weet niet of hij de nacht gaat halen. Maar dan ben ik tenminste bij hem. Later Bezorgde moe. Hij ligt in z’n laatje, met dekentjes. Aanvankelijk wilde hij nog op Baas z’n kussen, maar die heeft vandaag als een bezetene geschaafd en geschuurd en klaagt verheerlijkt over ‘lichaamspijnen’. Dus nu in het laatje. Als het moet, ga ik vannacht gewoon bij hem zitten. Om hem uit te leggen dat hij dit niet kan máken: hij hoort de komende 17 jaar bij ons! Shit Vrijdag 12-6-‘09 Vanmorgen trok René hem van onder het bed vandaan. Ik dacht dat hij al dood was. Maar nee, hij ademde nog. Het krankzinnige is dat Tigri op bed sprong, nadrukkelijk aan zijn broers achterhand rook en hem vervolgens daar begon te bijten. Ik belde dokter Bansse op haar mobiel. Maar ze was de hele ochtend volgeboekt, zei ze, ook voor spoedgevallen. In het uiterste geval kon ik om half twee komen. Nou wil het feit dat het Amerikaanse leger af en toe grootschalig poli houdt in de districten. Daar kun je gratis tandverzorging krijgen, of medische behandeling. Laten ze net in Groningen zitten voor twee daagjes! Nou was Jerrel er net met zijn dochtertje geweest en hij zag daar op een papiertje dat er ook een veearts aan het team verbonden was. Dus ik pak Zorro in een poezenmandje en stuif er op af: de RK school naast de begraafplaats. Rijen en nog eens rijen met kinderen voor de tandarts, moeders met kleintjes op de arm voor de dokter en een vriendelijke Amerikaan die vertelde dat Cathy net een paar boerderijen af was om naar varkens te kijken, maar dat ze binnen 3 kwartier terug zou zijn. Of hij mijn nummer kon noteren? Dus daar ging ik weer met dat hoopje ellende in het tasje. We stonden samen in de schaduw bij de Waterkant geparkeerd toen ze belde; binnen een minuut was ik terug, ze herkende me direct (de enige blanke en de enige die hier om zijn poes geeft, dus dat) en wilde hem standaard een wormenkuur geven. Maar ik legde uit dat hij doodziek was. Dus liepen we naar haar vrachtwagen waar ze hem op de opengeslagen klep van de laadpak controleerde. Ze had het meteen in de smiezen: een verstopping van de urineweg, hij had al dagen niet geplast en was nog uitgedroogd bovendien. Cathy legde uit dat ze niet veel medicijnen bij zich had. Maar ze kon de blaas leegzuigen, hem vocht toedienen en hem antibiotica geven. Met twee enorme spuiten trok ze 60 cc bloed en urine uit mijn kat. En daarna aan het infuus; een mannelijke collega hield de zak hoog. Onderwijl zei ze dat ze überhaubt weinig katten in Suriname had gezien, maar dat dit bovendien de liefste en de tamste was die ze hier ooit had meegemaakt. Ik vertelde dat hij Zorro heet, vanwege zijn zwarte maskertje en dat vonden ze allemaal een mooie naam. Er werden foto’s gemaakt, want dit was voor hun doen vrij ongebruikelijk. Maar ik verloor de aandacht een beetje toen een Surinaamse militair met z’n baby luiaard kwam, hij had hem gisteren op straat gevonden en wilde wel een wormenkuurtje. Nou ja. Voor even was mijn kleine schat gered. De dokter schreef op een briefje wat ze precies had gedaan en zei dat ik zo snel mogelijk naar de dierenarts in de stad moest gaan. Daar zouden ze hem katheteriseren en dus waarschijnlijk een paar dagen houden. Dus belde ik thuis Bansse weer. Maar alles zit weer tegen: haar collega heeft een vrije dag, dus we kunnen pas om zes uur komen. Dan bekijkt ze ter plekke of hij ja of nee geopereerd moet worden. En dat opereren zelf kan pas als de laatste klant weg is, dus misschien half tien of zo. Zorro heeft de hele middag bewegingloos op bed gelegen. Maar tegen etenstijd zag ik hem opeens bij de tafel liggen. Niet dat-ie wilde eten, maar, nou ja, ik weet ook niet waarom hij dat deed. Belletje van Pavlov (stipt om vier uur bikken)? Misschien terug naar de tuin om stilletjes te sterven? Maar daar komt niks van in! Over een half uur is het tijd en gaan we naar de stad. Nou ga ik weer bij hem zitten. Wat een ellende, allemaal. Hij leeft! Het is gelukt! René wil de Amerikaanse dierenarts een purple hart geven (een hartje uit Surinaams purper hardhout) en dokter Bansse stuurt haar een briefje via de ambassade. Achteraf gaf Leontien ook wel toe: ‘Toen je zei dat hij doodziek was, dacht ik: een cyste, misschien een beet, dat kan op het spreekuur nog bekeken worden. Maar zo’n verstopping… als je vanmiddag was gekomen had hij misschien nog geleefd maar dan hadden zijn nieren hem al zo vergiftigt dat een ingreep waarschijnlijk te zwaar zou zijn geweest…’ Zo reden we dus met die kleine naar de stad in het strijklicht van de ondergaande zon. Eerst in tas op achterbank, maar toen dat holle gemiauw uit die pijnlijke buikstreek klonk zette ik de tas op schoot, hoorde hij onze stem en liet hij zich gelaten rijden. In de auto bereidde ik hele toespraken voor om zo snel mogelijk tot dokter Bansse te geraken. In het verleden kwam ik wel vaker met doodzieke dieren en moest ik toch nog uren in de wachtkamer blijven. (Overigens, dokter Leontien Bansse-Issa is onze heldin, ze heeft kleine Lola, het Dobervrouwtje met de vleermuisoren en zusje uit hetzelfde nest van onze Mechelse herder Sam zó vaak voor de poorten van de hel weggesleept voordat leukemie haar, net een half jaar oud, de poorten van de hemel deed binnenzweven, dat we haar op handen dragen). Dus ratelde ik aan de balie maar door over de telefoontjes, het Amerikaanse leger en het spoedeisend karakter – tot één van de meisjes me onderbrak en zei dat ik zo door kon lopen. Op de behandeltafel haalde ik mijn weerloze dweiltje uit zijn tas, gespte de dokter hem een kapje om ogen en bek en ging in de weer met zijn piem. Wat gruis kwam er uit. Maar niet genoeg. Ze zou eerst de rest van de patiënten behandelen en dan proberen om Zorro onder verdoving van de rest te ontdoen. Lukt dat niet – met spoelingen en al – dan ging hij direct onder het mes: weg ballen en erna een wijdere urinebuis. We mochten een uurtje weg en zouden dan horen wat het Salamonsoordeel zou zijn. Zijn we toch zo verschrikkelijk lekker in DOK 204 gaan eten! Voor het eerst sinds een jaar! Op Twee Kinderenweg werd ik mobiel gebeld. Of we onderweg waren. (20 minuten te laat, sorry) en toen we bij de kliniek aankwamen waren alle deuren op slot en lag die kleine schat op de behandeltafel met z’n tong uit z’n bek te trippen van gebraden ston doifi en gado tjo (vogeltjes). Nu moeten ze op dieet, want broeder Tigri heeft waarschijnlijk net zo’n iele pisbuis. Alleen maar brokjes en het kost een fortuin. Who cares. Op de terugweg lag Zorro heel stilletjes en heel comfortabel op schoot. Nu in bedje in de lade van de linnenkast. Ik heb wel over mezelf lopen dubben vandaag. Dacht soms: Zorro, ga nou maar dood. Wat zal ik nog met je slepen? Is alleen nog een extra marteling. Daar voelde ik me dan natuurlijk verschrikkelijk schuldig over. Maar terug in de auto begreep ik het allemaal beter: mijn eerste twee jonge katjes in Suriname, beide nog geen jaar oud, beide vergiftigd, een dood waar geen kruid tegen gewassen is. Het stond voor zoveel als: een zieke kat is een verloren kat. En nu hebben we, samen met Amerikaanse Cathy en onze eigen dokter het onmogelijke mogelijk gemaakt: die kleine Zorro zowel voor de poorten van de hel als die van de hemel weg gesleept. Gracias de Dios! Gauw weer even poolshoogte nemen! 22.45 uur. Mijn god, dit wil je toch niet geloven?! Ik aaide hem in zijn bedje van dekentjes en handdoek en hij voelde zo koud. Plafond fan uitzetten? Eerst een dekentje zoeken? Ik tilde zijn voorpootje op. Stijf. René wilde het ook niet geloven. Maar: tongetje blauw, lijfje allengs stijver… mijn kleine Zorro… zo opgelucht als we waren in de auto… ik heb daar gewoon met een dode kat op schoot gezeten… met míjn dode kleine Zorro… het was allemaal dus tóch tevergeefs… dat hij lag te spartelen op de behandeltafel, niks heftige dromen, het waren gewoon stuiptrekkingen. En toen ik hem in de auto droeg, hij heeft nog één keer zacht gemiauwd, soort van een plekje gezocht op schoot en is toen stilletjes gestorven. Terwijl ik zijn lijfje behoedde voor verkeersdrempels en gaten in de weg. Voorzichtig heb ik hem naar boven gedragen, teder hem ingestopt. Mijn dode Zorro. Misschien wil Bansse hem nog open wil snijden. Om te achterhalen hoe dit in godsnaam gebeurd kan zijn. Ik heb haar ook nog gebeld. Maar terecht heeft ze dat ding waarschijnlijk op de poli gelaten. Ik wil het ook wel weten. Om onze platgeslagen euforie een verklaring te geven. Maar we gaan hem begraven, morgen. En nu alleen nog maar huilen. Bitter, bitter wenen. Ik dacht: ik koester triomf op mijn schoot Maar wat ik koesterde was slechts de dood Brasa Zaterdag, 13-6-‘09 Eindelijk Bansse aan de lijn. Zij net zo onthutst als wij; zijn hartslag was in orde, zijn tongetje nog roze. Ik vroeg hoe lang na het overlijden de rigor mortis optreedt. “Zo’n uurtje of twee.” Hij moet om de hoek van de poli al zijn gestorven. En, nee, hij had in dat geval de operatietafel al helemaal niet overleefd, verzekerde ze me. Het vreet meer aan me dan ik zelf had verwacht. Ik denk vooral door die halfslachtigheid. Had ik hem hier met rust gelaten, dan was hij in vrede gestorven. Aan de andere kant, hij maakte een meer dan grote kans om te overleven. Het is ook zo bitter dat je zo om de tuin wordt geleid. Dat je opgelucht kan denken: goddank geen operatie, niet weer zo’n klote kap om een paniekerig hoofdje, die onbeschrijfelijke blijdschap dat hij, balls and all, weer monter verder kan. En toen was hij al dood. Wel ben ik een beetje blij dat we hem nog levend hebben aangetroffen, dat hij onze stemmen nog heeft gehoord en mijn gekroel over z’n kopje. Als hij dan moest sterven, dan maar bij ons in de buurt. Maar ik had hem, hier op bed, nog zó beloofd dat het goed zou komen, dat hij straks weer vrij zou kunnen ronddartelen, zou kunnen pissen tot de wereld overstroomde. Denk niet – nooit - dat de dood van een dier je hardt tegen het verlies van de volgende. Het is gewoon niet – nooit – waar. Hij verdient mijn verdriet. Ik had het weliswaar niet anders kunnen doen; de tijdspanne tussen alarmerend en daadwerkelijk ingrijpen was te kort. Maar dat ik heb gedacht: ‘ga nou toch maar gewoon dood’ … daarvoor voel ik me nu dubbel gestraft. Terecht dubbel gestraft. We hebben hem net begraven. In het rozenperkje met die verdomde onwillige rozen. Tigri sprong nog snuffelend in het graf op het in lappen gewikkelde lijkje van zijn broer. Niet overmand door verdriet, leek me, eerder hevig in de war. De honden lagen er ook bij. Maar die hadden gisteren al geroken wat wij toen nog niet wisten; voor hen is het allang een voldongen feit. Ik heb mijn mooiste bougainville er met sierpot en al bovenop gezet. Nou nog een sierpot op mijn verdriet. Brasa Leonoor Wagenaar