Hoe je het ook draait of keert: we hebben Santarém gehaald, sterker nog: we waren hier, door de hoge waterstand na de heftigste regenval die Brazilië (in elk geval in deze eeuw) ooit heeft meegemaakt, zelfs één dag te vroeg. De overtocht met veercatamaran Rondoniá van Manaus naar Santarém duurt officieel drie dagen, maar zonder dat iemand ons had gewaarschuwd kwamen we een vol etmaal eerder aan: doordat de bovenloop van alle stromen, kreken en rivieren al dat overtollige water moet lozen heeft de vloed vanuit de oceaan het nakijken: daar kan zelfs hij niet tegenop. Dus vlogen we met constant stroom mee over die onmetelijk brede Amazone.

Vandaag, maandag is dus al onze vierde luier vakantiedag. We logeren bij Casper en Yvonne, die al met Frans bevriend waren toen Casper nog twee jaar in Suriname woonde, nu al tien jaar geleden. Hij geeft hier leiding aan twee grote houtzagerijen (plus een productiebedrijf). En bewoont een heerlijk woonhuis aan de Tapajos, een zijarmpje van de Amazone, met op de voorgrond de kleinste van de twee zagerijen. Wij mogen hier hangend in matten, liggend op stretchers of riant slapend op echte matrassen, beneden logeren. En samen met hun beeldschone dochters Valérie (7) en Alice (5) uitstapjes maken. Maar ook hier heeft de wateroverlast zich doen gelden: veel huisjes in de omgeving staan nog half onder stinkend water en het strandje honderd meter lager bij de rivier, is ondergelopen en slechts over verhoogde plankieren kun je de café’tjes bereiken die nog nét boven het klotsende water uit torenen. Geen nood: zaterdag had hij een echte Braziliaanse barco van een vriend voor ons geregeld, met slaapkamertjes, een kombuis, een keurig toilet waarin het water van de rivier tegen je billen kletst, echt een houten droombootje. Daarmee voeren we naar een beeldig strandje wat nog niet was ondergelopen. Waar bij ons in Suriname de oever modderig is en vol klei, daar ligt hier op vele plaatsen echt zacht rivierzand. Stoeltjes naar beneden, barbecue aan de wal.... die ochtend hadden we op de markt het benodigde vlees al gekocht, in lappen waar ik thuis enkele maanden mee voort zou kunnen. Terwijl we beneden, aan de haven, stonden te wachten tot de groep, na de inkopen, weer compleet was, zagen we, recht voor onze neuzen, ontelbaar veel dolfijnen in het water dartelen. Waarschijnlijk gelokt door het marktafval van de vis. In elk geval één moeder met haar twee roze gebuikte jongen.
Gisteren, zondag, werden we getrakteerd op de Vleespotten van Egypte, de familie nam ons mee naar een open Churrascaria, hoog op de heuvel, zo'n twintig kilometer het binnenland in. We hadden in Manaus al eens zo'n vleesovervloed meegemaakt, maar hier, in Gaúcha was het toch anders. Misschien omdat je alleen dat dak boven je had, en verder het glooiende landschap, waar regenwoud al plaats had gemaakt voor, juist, wat wij nu aangeboden kregen. Zelf haal je wat salade, wat bonen, een schepje rijst van de selfservice. En als je eenmaal aan tafel zit word je bestormd door een horde agressieve bijen: kellners met spiezen vol geroosterd vlees: jij mag aanwijzen van welke kant en hoe ze een lapje voor je af moeten snijden. Echt álles komt voorbij: spiezen met hart, bult van de zeeboe, lende, tong.... sappige roastbeef, ossenhaas...
De reis vanaf Paramaribo (in ons geval vanaf Groningen) verliep buitengewoon voorspoedig, hoewel we, achteraf gezien, misschien iets te veel haast hadden. Eigenlijk zou twee dagen Georgetown beter zijn geweest en zéker is de trip vanaf Georgetown naar Rock View Lodge, 100 kilometer van de Braziliaanse grens, te ver voor één dag; er is geen bewegwijzering, dus in en rondom Linden rij je geheid een paar keer verkeerd, en de weg door het oerwoud is beeldschoon, half laterier, half zand en klei, en dus te slecht om echt op te schieten. Bovendien bleek om vier uur, bij de grens van natuurreservaat Iwokrama, dat we de Essequibo rivier niet over mochten: we hadden in de stad een kaartje moeten kopen. Dat betekende dus veel tijdverlies, vóór we via de radio toestemming kregen alsnog in te schepen. Wat óók even duurde, want de ferry moest gelast worden, anders zou hij zwaar water maken. Daarna moesten we dus het hele reservaat nog door, en de rest van het oerwoud in het stikkedonker, voor we het heuvelachtige savannegebied bereikten en op zoek gingen naar Rock View. René en ik hadden die tocht tot aan de lodge twee jaar geleden al gemaakt voor een artikel in Parbode ('Gluren bij de Buren') en waren toen al hartelijk door Colin Edwards, de Britse eigenaar, ontvangen. En nu voelde zijn omhelzing als een warm bad!
Eén dag luieren en óp naar Brazilië. Waar men van twaalf tot drie luncht, zodat je ook al weer laat in Boa Vista aankomt. Daar werden ons twee dingen duidelijk: niemand, maar dan ook echt helemaal niemand verstaat een woord van een andere taal en wij verstaan nauwelijk één woord Portugees. En ten tweede: onze creditcards en bankpassen vallen niet goed in dat land. Soms, als je geluk hebt, geeft een pinautomaat je met Visa het maximum (wat nóg maar 1000 real is) maar meestal vertoont het apparaat kuren en krijg je bij voorbeeld maar 180.Of niks. Bankpassen nog erger; zelfs bij het Braziliaanse broertje van ABN Amro werden pashouders smadelijk heen gebliebd. Euro's wisselen gaat ook lastig in een land dat aan de $ gekoppeld is (terwijl net in Suriname een schaarste aan US dollars heerste). Omdat de computer aan de grens kapot was, moesten we nog een dag langer in Boa Vista blijven om daar onze auto's in te klaren. Geen pretje: de stad lijkt het meeste op een Novo Sibirsk, heftig Oostblok met beton kolossen en megalomane allées en boulevards waar bijna geen auto's over reden.
Eindelijk door. Naar Roraime Polis, een gehucht waar we moesten overnachten om de volgende dag op tijd bij de evenaar te zijn. Het schijnt dat water tien meter van de evenaar de éne kant op kolkt en tien meter verderop de andere kant op. Maar onze proeven mislukten: te grote gaten geboord in de bodem van de 2 liter flessen, zodat het water er pardoes door glipte. Eindeloos heuvel op heuvel af, door gemoedelijk akkerland tot we abrubt in het Waimiri indianenreservaat belandden en nederig tussen muren van regenwoud door slopen. Het is, voor onze begrippen, onmetelijk groot en je mag er niks: niet stoppen, niet lachen, niet fotograferen of filmen, niet aan je billen krabben. Dus geen indiaan gezien, behalve in het kleine winkeltje aan het einde, waar we een schitterende purplehart boog en een paar pijlen kochten.
Voor ik verzand in een saaie opsomming nu dus in telegramstijl: Balbina, vakantieoord bij het stuwmeer, vol oude grotten en watervallen waar we de helft niet van konden vinden. Na twee dagen Manaus, eerste vooruitgeschoven stad in de jungle, met zijn legendarische opera. Dagen heeft het gekost om de passage naar Santarém te regelen en op het laatste nippertje ging het nóg bijna mis.
Het is een wondermooie reis, tot nog toe. Maar door dat totale gebrek aan communicatie bijna niet te doen. Het is dat Casper ons al op voorhand heeft geholpen met de organisatie en het verstrekken van informatie. Want zoiets op eigen houtje uitdokteren; dat gaat je maanden kosten.
Nog één dag pierewaaien, dan gaan we verder: de auto's en een deel van de groep op een hout ponton, de rest met een passagiersbootje.
Later meer
Ciao (zeggen ze hier)
Leonoor

De 21ste zijn we teruggekomen: ongedeerd maar gesloopt. Mijn hemel wat waren de beesten blij!!! Sam wist zich geen houding te geven van opwinding, Jessy huilde alleen maar. Tigri kwam aanhollen: niks rancuneuze kater, hij zou me als een schaduw blijven volgen en lekker bij ons in bed slapen. En dan de vogels... Romeo en Julia zien er vreselijk plemottig uit, hoewel ze goed gegeten hebben. Misschien in de rui? Of hebben ze ons zo gemist? Romeo krijste en beet me venijnig: zó boos. Maar al snel kropen ze alletwee weer op, aan en over me heen. En dan Tokkie... wat is hij mooi geworden! Een witte bef als was hij de eerste rechter van de Hoge Raad, een prachtige vuurrood kontje, een krachtige gele streep over zijn snavel... voor het eerst laat hij zich nu knuffelen, eerst voorzichtig over z'n snavel, en dan op z'n koppie, langs z'n witte wangen en over zijn hele zwarte verenrug. Ik voer hem kleine toekanbrokjes en hij kleppert van geluk terwijl Romeo en Julia als jaloerse buren in het gaas hangen te koekeloeren.
Terwijl ik zat te tollen op m'n stoel werden de eerste flessen ontkurkt en vertelde iedereen over en weer, wij over Brazilië, zij over onze beesten en hoe ze zich er die tien eenzame dagen doorheen hadden geslagen. (Alan, die op ze zou passen, zei op het laatste moment af vanwege doodzieke dochter. Dus toen sprongen Gerrie, Roke en onze dienst Claudia in. Vooral Japi, die eenzaam boven zat, heeft het erg zwaar gevonden).
Een paar fragmenten uit mijn reisdagboek.
Donderdag15juli
Eindelijk, we zijn weer op weg. Op een kleinere veerpont, dit maal, van Santa Rèm naar Almérin. Het is kwart voor negen in de morgen, de stromende regen van vannacht heeft nét plaats gemaakt voor, jawel, een waterig zonnetje en op de voorplecht, waar gisteren nog de loader stond geparkeerd, zijn nu vijf Brazilianen aan het pielen met een barbecue. De flessen met wodka en sprite in de aanslag. En de decibellen op orkaankracht. Want, zo veel is ons wel gebleken, ze zijn hier doodsbang voor de stilte, dus draaien ze hun muziek kei-, loei-, denderend-, oorverdovend hard. Dit keer zat de laadbak van de pick up vóór ons tot de nok vol geluidsboxen. Toen vervolgens de kwikwi op het rooster ging, was alle denkbare overlast, van kabaal en visstank zó overstelpend dat zelfs René met dichte ramen niet meer kon slapen. (We werden gered door een regenbuitje: laadklep dicht, vuur uit.)
Links en rechts oevers met weelderige begroeiing: als dit de Amazone is, zitten we wel op een héél smal stukje! Waarschijnlijk kijken we tegen eilanden aan, maar een gedetailleerde kaart heb ik zo gauw niet voor handen.
We hebben vannacht in de auto geslapen, de anderen poogden, zo goed en zo kwaad als dat ging hun matje in de overvolle zee van hangmatten op het bovendek te proppen.
De afgrond waar ooit de brug naar Frankrijk moet komen.
Om half een meerden we af bij Almerín, en kwam het busje zonder al te veel kleerscheuren van boord. De Tomtom was nog zoekende, dus de richting moesten we vragen. Het werd een slechte lateriet-steenslag weg, met diepe voren waar het water beekjes heuvel af had gesleten, diepe poelen, zompig plassen; het leek af en toe een dubbeltje op z'n kant of ons busje de overkant van de modderpoel zou halen. Dus bleef Marcel vlakbij om met z'n Toyota Prado fourwheeldrive te letten op z'n kleine Toyota broertje met dat aanzienlijk lager op de weg gelegen chassis, gedragen door, eveneens,aanzienlijk kleinere wielen. De omgeving was glooiend, mooi, met veel grazende runderen. Het wekte de indruk nog maar kort geleden aan de jungle te zijn onttrokken, hier en daar zag je in het jonge weiland nog de verkoolde stronken van woudreuzen die kennelijk in vlammen waren opgegaan. Bij een (bijna gemiste) splitsing draaiden wij een soort natuurreservaat binnen. Adembenemend. De Bususkowtu kondigde onze komst schallend aan door het gebladerte, overal duizenden palmsoorten en van dat dikke, vette regenwoud wat zo gelukkig maakt. Minder gelukkig: een paar achtereenopvolgende gaten, de zwaarste op een bruggetje, zodat we niet konden uitwijken. We maakten ons grote zorgen; door de klompen vastgeplakte klei konden we aan de onderkant weinig zien, maar René denkt dat er een stuk beschermplastic onder het motorblok doormidden is.
Het busje heeft zich er manhaftig doorheen geslagen (hoewel Colin Edwards, jaloers op onze trip en bekend met die stukken van noord Brazilië al voorspelde dat we dat hele traject van 80 kilometer door Marcel gesleept zouden moeten worden, jawel!) Avontuurlijk was het wel vandaag, en erg mooi. Om een uur of zes kwamen we eindelijk aan bij het veer. Maar besloten om aan deze kant te blijven.
Vrijdag
So. Dat viel dus tegen: asfalt tot aan de horizon, was ons voorspeld. Toegegeven, de route was beeldig, van regenwoud tot een bergpleau met wetlands tot uitgestekte savanne. Maar de weg was kut: heftige modderpoelen, diagonaal over het wegdek beekbeddingen van zo'n halve meter (waar we met gemak onze assen op konden breken), en potholes als valkuilen. Zand en lateriet, of wat het ook was; roze in elk geval. Gek, net als gisteren, geen leven te bekennen. Koeien, ja, mensen, een eenzame fietser, een incidentele hond, maar geen vogels, nog niet een pingo, hooguit wat vlinders, in trossen om elkaar fladderend. En wat nog het merkwaardigst was: de afstand leek steeds op te schuiven: wisten we op de helft dat het nog zeventig kilometer tot aan de (geasfalteerde) afslag was, toen we weer een kwart gereden hadden hoorden we van de Tomtom dat we nog honderd kilometer te gaan hadden en bij de laatste stop, in wéér zo’n gehucht, hoorden we van het winkelmeisje dat we nog hondervijfendértig kilometer moesten. Het was drie uur. We hadden dus dik vijf uur gedaan over 150. Dus eenmaal weer verzameld wisten we: plankgas. Tegen de schemering: eindelijk de hoofdweg. Porto Grande: 85 kilometer. Dus: scheuren. Het asfalt dat ik had willen kussen,bleek vol gaten te zitten.

Twee maraboes, even uit Boa Vista.
Zaterdag
Meer asfalt dan we mochten hopen, maar toen moesten we er toch weer aan geloven. Niettemin: Calcoene kwam al redelijk snel in beeld. Hoe moet ik het beschrijven? Een stoffig midwest stadje, met kippen op het scharrige asfalt (daar wel!) en natuurlijk omzoomd door palmen en tropische flora (dat óók). Er waren enkele Pousada's, pensionnetjes met poepen in de tuin, en in een zijsteegje de meest aanvaardbare: Pousada e Commercial Jerusalém.
.
Zondag
Iedereen zegt goed te hebben geslapen ondanks het feit dat vijf leden van de groep buiten wilden blijven, boven de rivier, met dus een incidenteel regenbuitje. We gaan richting grens: nog zo'n kleine tweehonderd kilometer en het asfalt is ver te zoeken. Door al die massief houten tafels en stoelen die we van Casper hadden gekocht, is het busje topzwaar. Toch rijdt René als een rally coureur, tot ergernis van Don die (terecht) bang is dat we hier, in the middle of no where de assen zullen breken of andere averij oplopen. Nog steeds geen wild dier te zien, ondanks het feit dat er vrijwel geen tegenliggers zijn; geen hertje dat de weg over holt, geen haasje in de wegberm, niks, niks, niks, behalve Tinky Fowru, naargeestige aasgieren die paal na paal van een hek moroos voor zich uit zitten te kijken. Als we, zo'n veertig meter voor de grens toch nog gloednieuw asfalt oprijden, gaat er gejuich op. In Oyapock volgen we het bordje Grens. Weer een laterietweg met kuilen en dan opeens: afremmen: voor ons het ravijn, beneden de grensrivier. Hier moeten Lulla en Sarkouzy elkaar de hand hebben geschud over de nieuw te bouwen brug: de aanzet is dus bij de Braziliaanse grensrivier gemaakt; aan de overkant ligt nog maagdelijk Frans regenwoud. Op zoek naar de federale douane om de auto's uit te klaren en de paspoorten af te stempelen. Volgens de agente vaart de pont niet op zondag en zijn we dus opeens illegaal in Brazilië. Daarom rijdt ze ons vóór naar Hotel dus Paris om daar uit te leggen dat we nog één dag gedoogd worden. We checken in, Frans gaat info over de boot vergaren en daarna weer bieren. René heeft honger, dus tuffen we het dorp door. Die noord Braziliaanse dorpjes zijn al van een deprimerende scharrigheid, maar als op zondag ook nog eens álle restaurants gesloten zijn en we moeten volstaan met twee sneetjes pizza bij de boulanger tegenover het hotel, is de lol er voor ons tweetjes helemáál van af. Zoek het maar uit. We gaan terug naar onze kamer, genieten van de warme douche, tv kijken in die onverstaanbare taal en nog een stukje lezen.
Maandag
De veerboot vraagt 100 euro per auto voor de overtocht – lekker dan. Maar omdat er meer auto's mee willen, zakt de prijs naar 80.
En de peperdure pont (100 euro per auto)
De oprit is weer bloedstollend stijl: dat haalt het busje nooit. Uiteindelijk moeten alle mannen helpen duwen voor een overtocht van zo'n twintig minuten. (Niet dat de rivier zo breed is, maar het haventje van Frankrijk ligt gewoon iets noordelijker.) En dan – eindelijk: Frankrijk! Iedereen is uitgelaten en Don roept bij de douane keihard: Vive la France! Ik geniet er van dat ik me weer verstaanbaar kan maken en wil weten of die krankzinnige prijs voor de overtocht speciaal voor ons gezelschap is vastgesteld. De dame knikt meewarig het keurig gekapte hoofd: 'Nee, die schipper heeft het monopolie en kan dus vragen wat hij wil. Asfalt in sierlijke heuvels en dalen. Maar met gaten, dat wel. Dus we blijven behoedzaam. In totaal worden we drie keer aangehouden, door gendarmes én door militairen. Is het ons Surinaamse nummerbord? De angst dat we illegale Braziliaanse goudzoekers zijn? Het laatste stel was wel erg sukkelig: minutenlang bleef hij in onze paspoorten bladeren. Waar onze visa dan wel waren?! 'Maar meneer, we zijn Europeanen!' Toen sloeg hij zich letterlijk voor z'n kop.
Tussenstop in Cayenne. Eigenlijk wil niemand daar nog overnachten: liever gelijk door naar St. Laurent du Maroni en dan de volgende dag als een speer naar huis. Wel eerst lunchen aan het grote palmenplein vlak bij de oceaan. René eindelijk, eindelijk mosselen (heeft hij toch alweer vier jaar moeten ontberen) en ik gerookte zalm met een roquefortsaus; we genieten zó van Frankrijk! De laatste driehonderd kilometer is het asfalt om door een ringetje te halen. Met negentig per uur rijden Willem en later ik ons naar de finale van die dag. Om vijf uur rijden we het dorp in en gaan op de stoep, gewapend met een blikje Heineken, wachten op de anderen. Dan volgt tijdrovend oponthoud. Op zoek naar een hotel raken we malkander weer kwijt. Op onze dwaaltocht komen we zó dicht bij restaurant La Gaoulette, het restaurant dat vriend Yayo twintig jaar geleden bouwde op het schip wat averij had opgelopen en waarop hij met een stel vrienden de wereldzeeën zou bevaren. Yayo woont inmiddels in Paramaribo met zijn beeldige Fabienne, haar zoontje en hun twintig jaar oude baby, het restaurant heeft hij verpacht. Dus gingen we alleen even kijken of La Gaoulette die avond open zou zijn. We troffen zijn zoon (van een vorige verbintenis)), zeiden dat we zijn vader kenden, dus antwoordde hij: 'Mijn vader is hier! Ik zal hem roepen!' Zo toevallig! Hij was juist voor een paar dagen overgekomen om zijn schip en het meubilair een grote opknapbeurt te geven. Helaas, het restaurant was op maandag gesloten, maar wij hadden de hoofdprijs! Hij regelde een goed hotel voor ons: La Tentaire. En na een uur wachten bleken de anderen óók Yayo te hebben gevonden dus checkten we tegelijk in en gingen uit dineren met Yayo bij de concurrent (een restau dat we zelf nooit gevonden zouden hebben). Eindelijk pastis! Het eten zelf liet te wensen over, maar wat kon dat schelen?De Belgische broertjes, die tegenover mij en naast Yayo aan tafel zaten, konden hem, de Brabander, moeiteloos verstaan (en vice versa) (terwijl Marcel aangaf dat hij bij mij altijd z'n best moest doen (wederom vice versa). Yayo bleek Casper weer te kennen (inderdaad: vice versa) en was benieuwd naar de zagerij, omdat hij nou eenmaal, net als René een timmerman/houtbewerker in hart en nieren is. Twaalf uur rolden we onze bedjes in.
De dag er op bleek de weg van Albina naar Paramaribo nog net zo verschrikkelijk als ik me hem herinnerde. Bij de Bosje brug hebben we afscheid genomen, omdat Marcel eerst Frans, Willem en Mieke naar Lelydorp ging brengen. En wij wilden alleen nog maar naar huis.
Dat ligt vandaag precies een week achter ons en nog steeds zijn we niet bijgekomen, nog steeds droom ik nachtmerries van vertrokken boten, zoekgeraakte bagega, de rode lichtjes van de gemiste trein. Nog steeds dwaal ik door Brazilië met verkeerde valuta en voelen we ons als vaatdoeken.
Het was ook geen vakantie, eigenlijk, eerder een expeditie. In totaal hebben we zesduizend kilometer in ruim drie weken afgelegd, waarvan tweeduizend over het water. Het was mooi, indrukwekkend, soms wel heel spannend en avontuurlijk – maar ook heel zwaar. Héél voorzichtig beginnen we nu de draad weer op te pakken.
Brasa
Leonoor