Ik heb, aan de rivier, een geheime toverboom. Hij ziet er uit als een soort uit de kluiten gewassen, ooit getrimde bonsai hulst, en misschien ís hij dat ook wel, maar langs zijn takken, verscholen in zijn oksels, hangend aan zijn knoesten en ondersteboven waaierend vanuit de kruin, allemaal verstopt, leven de orchideeën; hun luchtworteltjes vastgeklampt aan de oude bast. Mijn oude, inmiddels overleden vader, was wild van orchideeën en bij elke gelegenheid ruiste ik weer met een ingepakte struik in tramlijn 5. Natuurlijk had hij álle boeken gelezen en prepareerde hij de ultieme voedingsbodem, de beste biotoop, had hij de plantenspuit met de fijnste watermist. Toch kreeg hij ze, in die zonovergoten vensterbank aan het Beatrixpark in Amsterdam maar zelden in weer bloei. En ik, in de tropen, evenmin. Toen we in noord Paramaribo woonden liet ik me, op de zondagse orchideeënmarkt naast de Cultuurtuin keer op keer verleiden: scharminkeltjes in plastic bakjes van vijf bij vijf centimeter, maar ach, wat bloeiden ze mooi, in dat diepe rood-roestbruin. Mind you, dat waren geen kinderachtige prijzen; mijn scharminkeltje deed, toen al, toch zo’n vijfentwintig euro, als het niet meer was. Drie jaar heeft hij daar – uitgebloeid en wel – aan de veranda gehangen, en ik was er van overtuigd dat hij naar Gene Zijde was vertrokken. Ook de rest, jonkies nog, gekocht bij een groothandel op Morgenstond, had verder weinig te melden. Maar ik heb ze allemaal in mijn auto meegenomen (Japi in kooi op schoot, honden in de Hilux, keramieke potten opgestapeld en tussen de opgerolde schilderijen: jawel, scharminkeltje.) En moet je ze nou eens zien! Scharminkel bloeit dat het een lust heeft; in de potten onder de schaduw van mijn toverboom zingen ze allemaal op de steiger mee, (het schijnt dat de ochtendnevel van de rivier een betere invloed heeft dat de fijn uitwaaierende plantenspuit van mijn vader) en van Gerrie en Roke heb ik al eerder en nu, vooral voor mijn verjaardag, een heel stel gekregen. Net allemaal met draadjes vastgebonden in de boomtakken. ‘Duifjes’, heet er een, en die bloeit hel wit met duizenden kelkjes als de regentijd zich aandient. Over een paar maanden hebben ze zich allemaal met hun worteltjes gehecht aan de boomstam. En zo wordt de oerboom steeds onherkenbaarder. René wil ons landgoedje Bloemendaal noemen. Omdat ik ooit in het Nederlandse Bloemendaal geboren ben, omdar hier ook een gelijknamige plantage schijnt te zijn geweest, maar vooral, vooral, omdat wachter en tuinman Tikat en ik ons zo beijveren om alles wat bloeit naar ons terrein te schleppen. Hij heeft net de paadjes naar de huisjes aangelegd en (ongevraagd) de borders ernaast beplant met bloemen (een soort fel kleurende flodder dingen waar René erg dol op is.), ik ben met stekjes van hibiscus (Angalampu,; hanglampjes) in de weer en met zaadjes die ik nu zelf win van struikjes die ik als eerste generatie opgekweekt heb,de paarse koto misi,een soort vlijtig Liesje dat rond het huis ontspruit, ga ik straks stekken in kleine potjes en ik spoor Tikat aan om in de wijde omgeving te klauwen wat hij maar klauwen kan; die zelfgekweekte bloemenzee, het schept grote voldoening. En dan die huisjes…. Daar héb je d’r weer, die Noor met d’r huisjes. Maar het neemt lang, zeker in Suriname. We willen het mooi-mooi en dus, toen we in Brazilië op expeditie waren lag dat werk stil, want daar wil René, terecht, met zijn neus bovenop zitten. En nu worden ze met de dag schattiger: met trappen, leuningen, nou, kijk zelf maar. Ons teefje Jessy durft met haar mollige derrière kwispelend de trapjes op, haar vader strontjaloers aan de voet achterlatend. Het zijn twee twee-onder een kap woninkjes, dus met een capaciteit van zestien slaapplaatsen. Dan moet je in dit klimaat dus eigenlijk ook een zwembad hebben, want niet iedereen durft in de rivier te duiken. Maar ja, nog geen prioriteit, dus die plannen schoven we voor ons uit. De laatste weken is het aaneensluitend zo snoei- en bloed heet geweest (door El Niño, schijnt het), bijna zonder regen dat ik me ’s middags als een vaatdoek voortsleep en we, wij allemaal, tot aan dienst en buurvrouw Claudia aan toe, alleen nog maar kunnen praten over Zwembad. Ik heb een afspraak gemaakt en morgen gaan we kijken, vergelijken, doorvragen en wat mij betreft gisteren de knoop al doorhakken. Of ik over 2 weken al een foto van ons, weelderig in Marylin Monroe badpakken poserend aan de zwembad rand kan laten zien, dát is misschien wat voorbarig. Maar verkoeling is in zicht! Brasa Leonoor